Voedsel en permacultuur

Ik schreef dit stuk als reactie op een bericht van een vrouw van ATTRA op een mailinglist over bioregio’s die iets schreef in de trant van: “natuurlijk kun je de wereld niet voeden met zo’n hippie-achtig, jager-verzamelaar landschapssysteem als permacultuur”. Daar werd ik nogal boos van, dus toen schreef ik dit.

David Blume

Beste mensen,

Ik wil graag wat praktijkervaringen toevoegen aan deze verder nogal abstracte discussie over voedsel en permacultuur.

Naast dat ik ecologisch bioloog ben, ben ik negen jaar een voedselproducerend permacultuur-boer geweest, ben ik een expert op het gebied van biomassa-energie, doceer ik ook al permacultuur sinds 1997 en heb ik in vele landen gewerkt aan ontwerpkwesties rond voedsel en energieproductie. Ik heb meer dan 400 mensen gecertificeerd sinds 1997. Zie voor meer informatie mijn website: www.permaculture.com.

Gezien mijn ervaring heb ik een paar dingen te melden. Laten we het even niet meer hebben over jager-verzamelaars, aangezien weinig mensen zullen accepteren om terug te gaan naar die fase.
Dat is namelijk niet het centrale ontwerpdoel van permacultuur, alhoewel sommige van onze kleinschalige keuterijontwerpen wel vaag iets weghebben van een jager-verzamelaarsparadijs (maar in de natuur heeft zoiets nooit bestaan). De kwestie van privébezit zoals we dat nu kennen maakt dat model ingewikkelder. We leven in een tijdperk gekenmerkt door agricultuur, en permacultuur biedt vele voordelen op het gebied van zowel productie als inkomen.

Voor zover ik weet was ik een van de weinige boeren in de VS die uitsluitend permacultuur gebruikte om voltijds voedsel te produceren voor de verkoop. Op amper een hectare, waarvan de helft uit terrassen op een heuvel van 35 graden bestond, produceerde ik op mijn volledig biologische CSA, aan de rand van Silicon Valley, genoeg voedsel om meer dan 300 mensen te voeden (met 450 als maximum op een gegeven moment), 49 weken per jaar. Als het daar kon, dan kan het overal.

Ik deed dit bijna negen jaar totdat ik de pachtrechten op mijn land verloor. Mijn opbrengsten per vierkante meter waren vaak acht maal van wat de USDA als maximaal haalbaar acht. De bodemvruchtbaarheid nam elk jaar enorm toe, dus ik verkreeg mijn oogsten niet door de bodem uit te putten. Integendeel, ik begon met keiharde adobeklei en bouwde deze op tot zijn huidige imposante staat. Tegen het einde zat ik op een organisch stofgehalte van 22% en een kationenomwisselingscapaciteit (CEC) van ruim 25. CEC is een indicator voor organische stof. Hoe hoger dat getal, hoe meer voedingsstoffen de bodem vast kan houden en dus beschikbaar zijn voor de plant. Ter vergelijking: de meeste agriculturele bodems komen zelden aan de 2% organisch stof – op de scheidslijn tussen een levende en een dode bodem – met een CEC van rond de 5.

Meestentijds had ik niet meer dan de helft van mijn land in gebruik voor productie, de rest was bedekt met groenbemesters in verschillende stadia. En ik produceerde maar een fractie van wat mogelijk was geweest als ik het land in bezit had gehad. Want dan was een investering in bessen, bloemen en (noten)bomen gerechtvaardigd geweest. De boerderij produceerde zoveel inkomen dat ik in de meeste jaren bij de hoogst scorende 15% van de biologische boerderijen in Californië behoorde (waar ruim 2.000 biologische boerderijen zitten), terwijl ik maar een fractie van het landoppervlak dat de anderen gebruikten tot mijn beschikking had. Ik teelde meer dan 45 verschillende gewassen, dus mijn financiële succes kan niet verklaard worden door de teelt van een paar dure gewassen zoals Yuppie Chow (salade mix).

Anders dan andere biologische boeren gebruikte ik bijna nooit biologische pesticiden op mijn boerderij. Het permacultuur-ecosysteem dat ik ontworpen had was zo onderhoudsvrij geworden door biologische bestrijders, zoals vleesetende insecten, padden, hagedissen, slangen, uilen, vleermuizen en andere nuttige dieren, dat ik zelden hoefde in te grijpen (ik kan het aantal maal dat ik ingreep in die negen jaar op één hand tellen). Die paar keer gebruikte ik koffiedik, waar ik een oplossing van maakte. Je dacht toch niet dat koffieplanten cafeïne maakte om jou high te krijgen? Cafeïne is een extreem effectief insecticide dat onder invloed van zonlicht en lucht binnen 24 uur na gebruik onschadelijk is.

Op het gebied van zelfvoorzienende landbouw hebben wij permanauten over de gehele wereld regelmatig productiesystemen ontworpen die iedereen in een huis binnen een straal van 15 meter kunnen voeden. Deze regel houdt goed stand, want een huis waar meer mensen in wonen is groter en heeft dus een groter oppervlak, dus meer dan 15 meter is niet echt nodig.

De rekensom is simpel: opbrengsten van 15-49 kilo voedsel per vierkante meter zijn met een polycultuur in de meeste klimaatsoorten makkelijk te halen. Ter vergelijking: commerciële agricultuur in Californië, die bijzonder inefficiënt is, haalt meestal 7,5-12 kilo per m2. Mensen moeten, als ze actief zijn, ongeveer een kilo per dag eten, ongeveer 340 kilo per jaar. Met een goed maar slordig ontwerp heb je ongeveer 46 m2 nodig, maximaal. Met een zeer goed ontwerp is 19 m2 al voldoende. Als je veel granen eet heb je meer ruimte nodig, maar geen astronomische hoeveelheden. Als je een kas gebruikt om de seizoenen langer te maken en de CO2 van het kippenhok of het woonhuis, wat anders verloren gaat, gebruikt, dan gaan de opbrengsten nog verder omhoog.

Neem je nog iets meer ruimte en voeg je eenden en aquacultuur aan het ontwerp toe, dan worden de opbrengsten bijzonder divers en substantieel. Een dergelijk systeem is nu al veelgebruikt in Vietnam en nu is daar nagenoeg geen honger meer. Zou het niet fijn zijn als de westerse wereld ook zijn “superieure” eerste-wereldlandbouw zou verlaten in ruil voor iets dergelijks?

Is dit niet mogelijk op commerciële schaal? Zeg dat maar eens tegen Archer Daniels Midland, die vele hectaren met kassen beheert in Decatur. Hij gebruikt een combinatieteelt van vissen, sla en groenten op rest-CO2, restproducten van graan en andere restproducten van de brandstofproductiefaciliteit die jaarlijks 379 miljoen liter alcohol produceert. Hij bezorgt deze winstgevende landbouwproducten met trucks die op biodiesel (gemaakt van de mais en sojabonen die ze verwerken). Dit is op commerciële schaal, het is eenvoudige permacultuur die bijzonder winstgevend en productief is.

Om dit even in de echte wereld te plaatsen wil ik iedereen er even aan helpen herinneren dat in de jaren 1950, voordat er gekoeld transport bestond, New York (met een miljoen inwoners) gevoed werd met voedsel dat niet verder dan 17 kilometer van de stad geteeld werd (het was de tijdsinvestering en de kosten voor paardenvoer niet waard om voedsel van verder dan 17 kilometer te halen). Niemand kan een systeem dat een gemeenschap van een miljoen mensen voedselzekerheid biedt afdoen als niet-commercieel.

Er zijn twee hoofdredenen bekend die de enorme productiviteitstoename van een polycultuur verklaren: het voordeel van een mycorrhiza-symbiose (die vernietigd wordt in chemische agricultuur) en minder zonneverzadiging *). Chlorofyl kan verzadigd raken als er te veel zonlicht op de plant valt. De fotosynthese valt dan stil. In de praktijk komt het er op neer dat de meeste van de landbouwgewassen rond 10 uur ’s ochtends stoppen met groeien en pas om 4 uur ’s middags weer beginnen. De verschillende leden van een polycultuur beschaduwen elkaar, waarmee zonneverzadiging voorkomen wordt. Hierdoor gaat de stofwisseling de hele dag door.

Polyculturen zoals we die in permacultuur nastreven gebruiken bijna 100% van het zonlicht dat op de bladeren valt. Monoculturen gebruiken zelden meer dan 30% van het ontvangen zonlicht. Hoe lang kun je een bedrijf runnen met een efficiency van 30% zonder ondersteuning van buitenaf? Als je kijkt naar een simpel Mexicaans permacultuurvoorbeeld, de drie gezusters, waarbij ze mais, bonen en pompoen op dezelfde plek laten groeien (en ook nog 200 groenten in de schaduw van de gezusters, maar die tellen we niet mee), dan krijg je 90% zonne-efficiëntie. Als je de hoeveelheid voedsel van een Mexicaanse hectare optelt, dan heb je veel meer voedsel dan je van de stikstofrijkste, meest opleverende hectare in Iowa kan krijgen. Dat is de mythe van de groene revolutie; dat de hoogste opbrengsten uit de chemische monoculturen voorkomen.

Genoeg hiervan. Het argument dat er niet genoeg voedsel zou zijn om de bevolking te voeden is hoe dan ook misleidend. Momenteel produceren we – zelfs met extreem inefficiënte monoculturen – ruim twee keer meer dan nodig is om iedereen te voeden. Wat hongerende mensen ontbreekt is geld om voedsel te kopen; voedsel wordt gezien als een handelswaar, niet als een mensenrecht. En zelfs als je het geld hebt om voedsel te produceren, dan is het nog niet gezegd dat je er ook toegang toe hebt. In het middenwesten van de VS vinden ze het goedkoper om mais voor 10 dollarcent per kilo te verbranden in de kachel, terwijl Mexicaanse families er $2 per kilo er voor over zouden hebben om het op te kunnen eten.

Dus nu zeg je: “Als jij zo’n wijsneus bent die blijkbaar zoveel geld kan verdienen met de grotere opbrengsten van een simpele systeem met drie gewassen, waarom doen corporaties in het middenwesten het dan niet om meer geld te verdienen?” Dit komt dicht bij de kern van het probleem – en dat is niet bevolking versus hulpbronnen en/of de modellen van overbevolking die meestal van toepassing zijn op wilde dieren.

Kapitalisme houdt zich met meer bezig dan alleen maar geld verdienen. De reden dat monoculturen de voorkeur hebben van corporaties, ook al is het de minst efficiënte manier van voedsel produceren als het gaat om kilo’s voedsel per hectare, is dat het omdat het gedaan kan worden met de minste menselijke arbeid. De drie gezusters oogsten moet met de hand gebeuren; het kan niet met een combine. Alhoewel de extra arbeid volledig te rechtvaardigen is door de toegenomen opbrengsten, zijn corporaties allergisch voor het omgaan met arbeidskrachten. Arbeiders zijn lastig. Ze organiseren zich, ze willen een eerlijk deel van de opbrengsten. Steden willen belasting om huisvesting en infrastructuur mee te betalen en andere lastige dingen die corporaties willen zien te vermijden. Ons huidige landbouwmodel is een schoolvoorbeeld van een ontwerp dat financieel gewin voorop stelt, ten koste van arbeid en alleen mogelijk is door een kunstmatig lage energieprijs.

De andere reden is macht over de markt. Naar schatting is 80% van de akkers (van het type dat geploegd wordt, zoals in Europa) in handen is van multinationals. Het is in hun voordeel om de productiviteit laag te houden zodat ze er nog meer van in handen krijgen. Boeren die in financiële moeilijkheden komen, verkopen hun land voor een fractie van wat anderen, die wel voldoende opbrengsten hebben, ervoor krijgen. De maisboeren in het middenwesten verdienen netto maar iets van $125 tot $190 per hectare met een bruto-inkomen van zo’n $750 per hectare.

Met het hieraan voorafgaande wil ik niet suggereren dat bevolkingsgroei geen probleem is, want dat is het wel. Dus wil ik graag een opmerking maken over bevolking, vanuit de optiek van een ontwerper, die direct gerelateerd is aan de punten hierboven. Ik daag iedereen uit een voorbeeld te noemen waarin de populatie stabiel is, maar er geen oudedagsvoorziening is. Het is in talloze studies aangetoond dat de enige goede reden dat populaties stabiliseren is dat zij verzekerd zijn van een goede oude dag. Dan stoppen ze met extra kinderen krijgen. Waarom? Het heeft helemaal niets met biologische bronnen/populatie-verhoudingen te maken. We zijn geen wilde beesten en hebben duidelijk ander gedrag. In een ontwikkelingsland, of elk land eigenlijk waar geen sociaal vangnet voor ouderen is, heb je tenminste twee kinderen nodig voor elke bejaarde ouder. In nagenoeg elke casus waar sociale systemen zich stabiliseerden vonden vrouwen onmiddellijk manieren om ongewenste zwangerschappen te voorkomen. Op kruiden gebaseerde methoden om vruchtbaarheid te beëindigen zijn over de hele wereld bekend. In mijn eigen Italiaanse cultuur – niet bepaald een kruidengeoriënteerde Aboriginestam – werd zelfs in de 20e eeuw nog Claviceps gebruikt, dat ze gewoon bij de apotheek haalden.

Dus structuuraanpassingen – de neoliberale formule die de Wereldbank en de IMF aan de 3e wereld opdringt – verzekert groei van de populatie. Door moedwillig het sociale vangnet te verwijderen, als voorwaarde voor het lenen van geld, blijft de populatie – en daarmee de markt voor het afzetten van diverse consumptiegoederen – groeien. Daar wringt de schoen. Als de de bevolking niet blijft groeien, dan hebben de kapitalisten al heel snel geen klanten meer. Dat kunnen we natuurlijk niet laten gebeuren, wel?

Permacultuurontwerp biedt een alternatieve zekerheid voor de oude dag als de familie maar ook een beetje land heeft. In de Deccanwoestijn in India, waar grote successen zijn geboekt en honderden vierkante kilometers door mensen veroorzaakte woestijn teruggebracht zijn naar productieve regenwouden, is een gezegde: “Bomen zijn beter dan zonen”. Zonen zorgen misschien wel voor je, maar een inkomen van je productieve bomen (voedsel, hout en brandstof) doet dat zeer zeker.

Deze aanpak biedt families zekerheid zodat bevolkingsgroei beperkt wordt en geeft de oudedagsvoorziening terug in de handen van mensen.

Regeneratieve agricultuur (RegAg), wat veel verdergaat dan duurzame agricultuur, is afhankelijk van zonne-energie als vervanging voor fossiele brandstoffen. Buckminster Fuller en ik bespraken dit in 1983 toen hij het voorwoord schreef voor mijn boek Alcohol Can Be A Gas!, dat bij mijn tiendelige televisieserie op PBS hoorde (alcohol is een praktisch vervuilingsvrije brandstof die op bijna alle manieren superieur is aan benzine). Wereldwijde fotosynthese, zonder dat dit door mensen ontworpen is, produceert in de verkwistende agricultuurbiomassa en in de natuur veel meer dan wat mensen nodig hebben. Onze analyses laten zien dat de wereldwijde fotosynthese 6 tot 15 keer meer biomassa produceert dan wat we aan energie nodig hebben, inclusief voedsel, elektriciteit, vervoer en verwarming.

In een ontworpen systeem, zeker een met de permacultuurprincipes ontworpen systeem, kunnen we de productie van biomassa zeker met een factor 10 doen toenemen en zo in al onze behoeften voorzien met een veel kleinere voetafdruk. Bijvoorbeeld: je krijgt maar 1.900 liter alcohol per hectare uit mais, maar 9.300 liter uit suikerbieten, 11.200 uit aardpeer, 14.000 liter uit eenjarig suikerriet (in het zuiden van de VS). Allerlei andere gewassen, indien goed ontworpen voor het klimaat, kunnen in potentie 23.400 liter per jaar halen bij twee teelten per jaar. Dit zou gebeuren terwijl de bodemvruchtbaarheid wordt opgebouwd en in al het dierenvoeder wordt voorzien als restproduct (ter vervanging van mais dat nu voornamelijk voor diervoeder wordt gebruikt), tegen fractie van het energieverbruik van de mais-sojaboon agribusiness. Dit allemaal nu mogelijk zonder enige nieuwe technologie.

Het Ministerie van Energie sponsorde een programma om de kosten van cellulose-oplossende enzymen te verlagen. Binnenkort zijn opbrengsten gebaseerd op die koolhydraten (cellulose) in plaats van de relatief schaarse koolhydraten uit zetmeel of suiker, zoals hierboven beschreven, nog eens met een factor 10 te verhogen met behoud van winstgevende opbrengsten (het zou nu al kunnen (circa 2008, vert.) met de huidige technologie maar de prijs zou ongeveer $0,43 per liter inkoop zijn). Ook hier geldt dat dit slechts het topje van de ijsberg is.

Ik zou hier twee weken non-stop over kunnen doorpraten, en mijn collega’s en ik doen dat ook in mijn permacultuur opleiding (PDC). Het punt is dat, hoewel mensen heel goed zijn in het creëren van woestijnen en armoede, we ook de ongelofelijke capaciteit hebben om ecologische systemen te ontwerpen die voor iedereen werken – zelfs voor sommige corporaties.

Het argument dat we niet genoeg kunnen produceren op ecologische wijze wordt ten diepste gepromoot door corporaties die voordeel hebben bij de illusie van schaarste en beperkte hulpbronnen, waar zij de controle over uitoefenen. Hun motto is: “er is geen alternatief”. Juist ja, en de tovenaar zegt: “let niet op de man achter het gordijn!”

Over de gehele wereld tonen mensen aan dat er niet alleen alternatieven zijn, er zijn alternatieven die ons in staat stellen om voor elkaar te zorgen – en alle andere soorten waar we mee samenleven – en de overvloed uit die ontwerpen kunnen aanwenden voor deze zorg. Dit zijn de drie belangrijkste doctrines van permacultuurontwerp. We wachten niet op de overheden, corporaties of bureaucratieën om de wereldwijde problemen op te lossen. We zullen het zelf doen, met of zonder hun hulp. We zijn het al aan het doen en niemand kan ons stoppen, want niemand kan ons dwingen te kopen wat we niet meer willen. Aangezien weinigen van de permacultuurdocenten betaald worden door bedrijven of overheden kunnen we niet ontslagen of bedreigd worden.

Wat ik graag nog wil zeggen: als je multinationaal kapitalisme (wat het tegenovergestelde is van bioregionalisme) wilt beëindigen, stop dan met ze jouw geld te geven. Om dat te doen moet je zelf gaan produceren wat je nodig hebt – plus wat overschot voor anderen – in jouw bioregio en ik zou daar aan toe willen voegen dat permacultuur goede gereedschappen biedt om met dat proces te beginnen.

*) Ik heb David Blume gemaild met vraag of hij een bron heeft voor zijn verhaal over zonneverzadiging. Ik kon wel stukken vinden waarin werd gesteld dat op het moment van verzadiging de fotosynthese zich stabiliseert, maar niet dat het stilvalt. Hij antwoordde:

“In mijn boek over alcoholbrandstof gebruik ik een grafiek uit het boek ‘The Botany of Sugar Cane’ waarin een zeer scherpe daling te zien is, als een ravijn eigenlijk, bij verzadiging. Alhoewel er nog steeds een klein beetje activiteit is, wijst het feitelijk op een niveau dat dicht bij stilstand ligt”.

Do NOT follow this link or you will be banned from the site!